50 years banner850

Show Results

 

 

 1-11-2013

 

 

 Int.Show Bleiswijk. Judge. Pauline Koning Stern-hanf

Jayson di Scottatura CAC-CACIB BOB and DUTCH CHAMPION

Kiara di Scottatura CAC-CACIB Best Female

Morgan di Scottatura 3rd Excellent youth Class

  6-10-2013

BHCN Day 4 Belgians . Judges B.Harlem and P.Koning

 

Kiara di Scottatura Excellent

JÁdore di Scotttatura 1st Excellent

Kaz di Scottatura 4th Excellent

Jiovanni di Scottatura 1ste Excellent RCAC

 

 

15-09-2013

Int Show Krefeld Germany.Judge Sandra Dubach

Results:

Kaz di Scottatura RCAC
Morgan di Scottatura Best Puppy
Kiara di Scottatura CAC and BOB

J'Adore di Scottatura 1 ste Exc. Champion Class RCAC

J'adore now German, Belgium, Dutch. Holland and Int. Show Champion

 

Teven CAC klkein

Photo Vivi

 

07-09-2013

 

J'Adore di Scottatura Luxembourg Champion

 

 31 -08-2013  

Nationale Elevage France 2013

Jiovanni di Scoittatura 14 thg Excellent

J´Adore di Scottatura Excelklent in Champion Class

 25 -08-2013  

Int.Show Rotterdam

Kaz di Scottatura RCAC

Kiara di Scottatura CAC

J'Adore 1st Excellnet Ch.Class

Print

History


My kennel started with Ratel di Vildor .( import Italy)

A 2 1/2 year old female born in 1968 out of the malinois Quintin van het Hofstedeken and the tervueren female La Marion du Talion.She had an italien pedigree! She entered my home in 1971 when Mrs. van der Schalk ( Switserland) was looking for a new home for her. She has been fighting in her kennel with another female, because of this she had a big brandmark on her back. "Di Scottatura "means in Italian "of the Brandmark."

Ratelbrandvleks

I produced five litters from Ratel. The first with Chaperon van het Kempisch Bos in 1972. Out of this combination I kept the beautiful Ch. Amira di Scottatura. She became three years in a row Best Tervueren female at the Dutch Specialty. Bouf di Scottatura the only daughter of Ch. Blitz van Cynthasiashof x Ratel di Vildor produced with Aristo van het Horckende only two puppies, they are not used for breeding.

 Aristo van het Horckende small  Amira di Scottatura small  boufdiscottatura

Aristo van het Horckende

Amira di Scottatura

 

Bouf di Scottatura

In 1975 the young promising Vibrato de la Pouroffe was imported to Holland. With Ratel di Vildor he produced 5 puppies. No one is used for breeding. The last litter with the very well producing Dutch Ch. Vasco de la Pouroffe was the best litter she had produced. In caracter as well in beauty.Well known was the dog Jason Ratel di Scottatura and the females Jolie Ratel di Scottatura ( Kennel van de Gnephoek) and Jotun Ratel di Scottattura she became one of the stud females of my kennel.

 Vasco de la Pouroffe small  tarass.jpg small  Ully du Puy las Rodas small

Yoerak di Scottatura small

Ch.Vasco de la Pourioffe

Tarass de la Pouroffe

sr. Ully du Puy las Rodas

Ch.Yourak di Scottatura

Dogs which I used for breeding 1970-1980.

P-Litter

-10-2014

Ch.sr.Int.High Clearings Harley x Ch.Int.JÁdore di Scottatura

 

 

O-litter

10-05-2014

Ch.Jiovanni di Scottatura x Ch.Kiara di Scottatura

 

5-3

N-litter

23-12-2013

Domburg All About Me x S.e It's Only me di Scottatura

 

 2-3

M litter

26-12-2012

 Ch.sr..Kvina´s Cruising the Star x Ch.JÁdore di Scottatura

 

 3-3

L-litter

12-03-2012

 VDH Ch. Fantome du Bois du Tot x Hailey di Scottatura

 

 4-2

K-2 litter

01-01-2011

Ch.Domburg in Demand x s.E Hailey di Scottatura

 

5-1

K-litter

24-10-2011 

sr.ch. Kvina Cruiswing the Star  x Int.Ch.Freyara di Scottatura

 

 4-2

J2-litter

11-05-2010

 Ch.Asgaard des Louves dÝmonville x Ch.Freyara di Scottatura

 

 6-2

 j-litter

27-02-2010

 sr.Furac van de Hoge Laer  x Ch.Fiona di Scottatura

 

4-4

I -litter

24-09-2009

Ch.Domburg in Demand x Ch.Elite A Avril di Scottatura

 

0-1

H 2 litter

11-10-2008

Ch.sr.pE Asgaard des Louves d'Ymonville x Freyara di Scottatura

 

3-5

H 1 litter

17-07-2008

Ch.sr.pE Asgaard des Louves d'Ymonville x Ch.sr.Elite A Avril di Scottatura

 

5-6

F 3 litter

23-10-2006

Ch.Domburg in Demand x Ch.sr.Elite A Avril di Scottatura

 

4-0

F 2 litter

10-03-2006

MultiCh. Oural de la Fureur de Crepescule x pE Belice di Scottatura

 

1-6

F1 litter

01-01-2006

Ch.Domburg in Envy x Ch.sr.Elite A Avril di Scottatura

 

5-4

D litter

01-08-2004

Milo Dylan van de Lamar x Elite A Vismey di Scottatura

 

1-6

C litter

15-09-2003

R.E Jour J de Condivicnum x Ch.sr.Elite A Avril di Scottatura

 

1-5

B litter

31-02-2002

sr.Chatojo's Emil O'Mohawk x Elite A Vismey di Scottatura

 

3-3

A litter

20-04-2001

MultiCh. Oural de la Fureur de Crepescule x Elite A Vismey di Scottatura

 

3-4

Z litter

23-05-2000

R.E Milton de la Clairiere aux Louves x Elite A Vismey di Scottatura

 

7-3

Y litter

01-01-1999

sr.Topaze de l'Ocre Noir x pE Hexenhouse Saphire

 

3-4

V 2 litter

15-12-1997

R.E Giono du Bois du Tot x Element Bluf di Scottatura

 

5-1

V 1 litter

06-07-1997

Ch.Lotus de la Grande Lande x Hexenhouse Saphire

 

2-5

Print

Overgenomen uit ONZE HOND jaarboek 2003, geschreven door Natasja van Hout.

Eén ras met vier verschijningsvormen.

De Belgische Herder is een ras dat vier variëteiten kent: de Mechelaar, de Laekense herdershond, de Groenendaeler en de Tervuerense herdershond. Deze variëteiten onderscheiden zich naar haarsoort en kleur. In het jaarboek van ONZE HOND aandacht voor dit bijzondere ras.

Het is niet altijd zo geweest dat de vier variëteiten van de Belgische Herdershond zo strikt werden onderscheiden als tegenwoordig. Pas aan het einde van de 19e eeuw werd een aanzet gegeven tot het raszuiver fokken van deze vier varianten.

Herkomst

Over het algemeen neemt men aan dat de groep van herdershonden afstamt van de Canis familiaris matris optimae, die leefde in het Bronzen tijdperk en daarom ook wel Bronshond wordt genoemd. Toen de mens zijn zwervende bestaan inruilde voor een vaste vestiging in primitieve boerderijen en zich van de jacht meer ging richten op landbouw en veehouderij, werd de behoefte aan een helpende hond groter. Men gaat ervan uit dat de hond veelzijdig werd ingezet voor alle zich aandienende taken. Waarschijnlijk heeft hij gewerkt in de kudde, maar was hij tevens waakhond en jachthond. Met het eindigen van het nomadenbestaan van de mens, werd dus pas echt een begin gemaakt aan de domesticatie van de hond.
De primitieve boeren fokten voornamelijk geiten en schapen. Deze dieren werden overdag naar weiden gebracht door de herder. Zijn hond moest ervoor zorgen dat de dieren zich onderweg niet tegoed deden aan de gewassen die voor menselijke consumptie bedoeld waren.

Soorten

Opvallend is dat er verschillende herdershondensoorten ontstonden, afhankelijk van de streek waarin zij leefden. In die gebieden waar men veel te kampen had met grote roofdieren, had men behoefte aan grote, sterke, afschrikwekkende herdershonden die een beer of wolf op de vlucht konden doen slaan. In streken waar dit soort wilde dieren niet voorkwamen, waren de herdershonden wat kleiner van type. Vaak hadden deze honden een dichte, ruige vacht die bescherming moest bieden tegen de diverse weersinvloeden. Met het afnemen van het aantal grote roofdieren in Europa, verdween ook de behoefte aan de grote herdershonden en kwam het lichtere type meer in zwang. Dit lichtere type had meer uithoudingsvermogen dan zijn zware tegenhanger en was bovendien veel wendbaarder en energieker. Maar wat misschien nog wel belangrijker was voor de veelal arme schaapsherder: hij at niet zoveel als de zware herdershond. In deze tijd was het uiterlijk van de hond slechts in zoverre belangrijk dat het de hond in staat moest stellen om zijn functie te vervullen. En alleen die honden die zich in hun werk reeds bewezen hadden, kregen de gelegenheid zich voort te planten. Zo werd geselecteerd op werklust, wendbaarheid en uithoudingsvermogen en werd alleen het genetisch materiaal van de allerbeste honden doorgegeven.

Niet edel

De herdershonden behoorden tot de groep van ‘onedele honden’, de zogenaamde rekels, of mâtins. Dit waren de bastaardhonden, die onderscheiden moesten worden van de edele jachthonden van de adel. De groep van rekels werd onderverdeeld naar de functie die deze honden hadden. Zo onderscheidde men naast de herdershonden verder bijvoorbeeld nog trekhonden, slagershonden en hofhonden. Met een rekel mocht men niet jagen. Om te voorkomen dat rekels met jachtpassie toch een konijntje zouden verschalken, moest men deze honden een stok om de hals hangen om hen dit te belemmeren.
In de 17e eeuw werden veel rekels gehouden om het vee en de overige bezittingen van zijn baas te beschermen tegen wolven en dieven. Vaak droegen deze honden een halsband met ijzeren punten aan de buitenzijde, die de hals van de hond moesten beschermen tegen een aanval van een wolf. De rekels verschilden nogal van elkaar in uiterlijk, zowel in beharing als in grootte. We kunnen er rustig van uit gaan dat deze boerenrekel de stamvader is van de moderne Belgische Herdershond. Ook de Bouvier vindt in deze oude schaapherdershond zijn oorsprong.

Veelzijdig

De lichte, wendbare herdershonden waren breed inzetbaar. Naast het werk met de kudde en de bewaking van huis en haard, gebruikte men de schepershonden ook als trekhond voor de hondenkar. Ook smokkelaars maakten dankbaar gebruik van de slimme herdershonden om hun smokkelwaar over de grens te krijgen. Dit bleek een lucratieve zaak, totdat de douane besloot om zelf gebruik te maken van honden om het smokkelen tegen te gaan.
In de 18e eeuw maakte het politiekorps van Leuven reeds gebruik van herdershonden voor het lopen van hun ronde. Het bleek echter niet zo’n succes te zijn; aan het eind van dezelfde eeuw hief men de politiehond weer op. De honden zouden te graag bijten en zij maakten de omgeving er bepaald niet veiliger op.
Naast de schepershonden die veelal als bijtgraag te boek stonden, waren er ook de zogenaamde ganzenwachters. Deze honden dreven kudden ganzen. Het uiterlijk van deze honden was gelijk aan dat van de schepershonden, maar zij waren veel zachter van karakter. Bij deze honden moest de bijtrem groot zijn.

Zuivere fok

Aan het eind van de 19e eeuw groeide de kynologische belangstelling naar de verschillende hondenrassen. In deze periode waren er in België verschillende schepershonden die in type nogal van elkaar verschilden. Het waren honden die zich sterk richtten op hun baas en die nogal afstandelijk waren naar vreemden. Ze waren actief en levendig en hadden veel temperament. Het waren werkhonden pur sang. Zoals in de meeste landen duurde het lang voordat de kynologie interesse kreeg in de honden van eigen bodem. Men haalde liever een dure rashond uit het buitenland. Gelukkig kent ook vrijwel elk land een man of vrouw die zich opwierp als beschermer van de nationale rassen. Voor België is dat Adolphe Reul geweest, professor in de Zoötechniek aan de Staatsschool van Veeartsenij. Hij stond hierin niet alleen. Samen met Louis Huyghebaert en de heer Van der Snickt stond hij aan de wieg van de Belgische Herder. Professor Reul kwam veel op veekeuringen, waar het hem opviel dat het vee veelal door hetzelfde type hond werd vergezeld. De honden wekten zijn interesse en hij besloot zich te gaan verdiepen in de afstamming van deze Belgische schepershonden. Op 29 september 1891 richtte men in Brussel de Club du Chien de Berger Belge op.

Inventarisatie

Reul wilde door middel van inteelt de beste variëteiten bewaren. Aan dierenartsen in het hele land – oudleerlingen van hem - vroeg hij uit te kijken naar mooie typen en de eigenaren van deze honden met hun hond uit te nodigen voor een inventarisatiedag. Dit was nog niet zo eenvoudig, omdat de eigenaren van deze honden zich de luxe niet konden permitteren om hun hond een dag niet te laten werken. Op 15 november 1891 kon hij echter toch 117 Belgische herdershonden ontvangen op deze speciale tentoonstelling in de kliniek van de veeartsenijschool in Cureghem. Men meende uit deze gevarieerde groep te kunnen constateren dat de Belgische herder – van vreemde smetten ontdaan – onder te verdelen was in drie groepen naar vachtstructuur: een langharige, een ruwharige en een kortharige variant. Naar aanleiding van deze inventarisatiedag besloot de rasvereniging op 2 april 1892 de kenmerken van het ras die door professor Reul waren opgesteld, aan te nemen. Hiermee was de eerste rasstandaard een feit. Reul adviseerde fokkers om hun honden uitsluitend te paren aan honden met dezelfde haarlengte. Men kommerde zich in deze tijd nog niet om de kleur. Pas in 1899 werd door de Club du Chien de Berger Belge besloten dat bij ieder type een bepaalde kleur hoorde. De volgende kleuren werden vastgelegd: de kleur zwart voor de langharige honden, peper en zout voor de ruwharige en vaalrood voor de kortharige, bij wie een zwart masker hoorde.
De gevestigde kynologische orde was niet direct onder de indruk van de verrichtingen van professor Reul. Pas in 1900 nam de Société Royale St. Hubert twee typen van de Belgische Herder, de Mechelaar en de Groenendaeler, op in haar stamboek.
In 1923 richtte men in Nederland de Nederlandse Speciaalclub voor Belgische Herders op. Deze vereniging werd echter weer opgeheven, waarna in 1938 de huidige rasvereniging werd opgericht: de Nederlandse Vereniging voor Belgische Herdershonden (NVBH).

Eigenschappen

De Belgische Herder is een hond die sterk op zijn baas gericht is en het liefst de hele dag in zijn buurt is. Iedere beweging van zijn baas, doet de hond opspringen in de hoop dat er iets leuks gaat gebeuren. Niet iedereen kan dat gedrag waarderen. Hij heeft daarbij de typische eigenschappen van een hoedende hond. Wanneer men als gezin met een Belgische Herder het bos ingaat, zal hij proberen de groep goed bij elkaar te houden door in kringen rond te lopen. De Belgische Herder hecht zich bijzonder sterk aan zijn baas. Men noemt dit ook wel hyper-affectie. Hij kan moeilijk herplaatst worden, wanneer zijn baas niet meer voor hem kan zorgen, omdat hij een nieuwe baas moeilijk accepteert.
De Belgische Herdershond moet zelfverzekerd zijn en evenwichtig. Het duurt vrij lang voor de Belgische Herder echt volwassen is. Als jonge hond is hij erg gevoelig en het is dus bijzonder belangrijk om hem goed te socialiseren en met verschillende situaties in contact te brengen. Hij hoort niet nerveus te zijn, noch agressief of angstig. Een goede socialisatie en opvoeding spelen hier echter, naast erfelijke aanleg, een grote rol. Hij is een uitstekende bewaker van de eigendommen van zijn baas.

Werklust

De Belgische Herder is in de eerste plaats een werkhond. Het is dan ook bijzonder belangrijk dat hij de kans krijgt om ‘iets te doen’. De Belgische Herder wordt nog altijd graag gebruikt als geleidehond, als politiehond, als lawine- of reddingshond, als hasjhond of als speurhond. Wanneer u met uw Belgische Herder naar de plaatselijke kynologenclub gaat om een gehoorzaamheidscursus met hem te volgen, zult u merken dat uw hond dit niet alleen ontzettend leuk vindt, maar dat hij ook niet zelden uitblinkt in zijn groepje. De Belgische Herder is bijzonder intelligent en doet niets liever dan voor zijn baas werken. Hij wil het zo graag goed doen! Andere mogelijkheden om hem vervangend werk te bieden zijn behendigheid, VZH (verkeerszekere hond), Obedience, UV (uithoudingsvermogen), flyball, IPO (verdedigingshond) of SpH (speurhond). Natuurlijk kunt u ook proberen hoe uw Belgische Herder het doet bij de schapen. Er zijn tegenwoordig legio mogelijkheden om uw hond vervangend werk te bieden en voor de Belgische Herder is dat geen overbodige luxe.

Gezondheid

Zoals bij alle grotere hondenrassem, moet ook de NVBH alert zijn op het voorkomen van HD en ED. Heupdysplasie is een afwijking van de heupgewrichten. Elleboogdysplasie geeft problemen aan de voorhand. Het ontstaan van deze aandoeningen is niet louter erfelijk bepaald. Naast erfelijke factoren spelen ook omgevingsfactoren, zoals voeding en de juiste ondergrond, een grote rol bij het ontstaan van deze ziekte. Gladde vloeren zijn funest voor honden. Ook is het niet aan te raden om een hond teveel trappen te laten lopen, zeker niet zolang hij niet is uitgegroeid.

Hoeden

De Belgische Herder werd vroeger gebruikt voor het hoeden van kudden schapen en geiten. Zij hadden de taak de kudde bij elkaar te houden, ervoor te zorgen dat de dieren alleen het gras aten dat voor hun bek bestemd was en de kudde te beschermen tegen roofdieren en dieven.
Het feit dat de Belg voor zowel schapen als geiten werd gebruikt, vereiste nogal wat flexibiliteit van de hond. Een geit vraagt namelijk om een heel andere aanpak dan een schaap. Schapen zijn over het algemeen vrij zachtmoedige dieren die weinig druk nodig hebben. Wanneer de hond op een onwillig schaap inloopt, en daar eventueel bij blaft, zal hij het daarmee vrijwel altijd weer in de goede richting kunnen sturen. Geiten zijn daarentegen behoorlijk eigenzinnige dieren, die bovendien sterker en feller zijn dan schapen. Een geit zal dan ook lang zo gauw niet onder de indruk zijn van een blaffende hond en veel eerder de confrontatie zoeken dan een schaap. Hij heeft veel minder respect voor de hond. Wanneer de hond een geit tot de orde moet roepen, zal hij vaak zelfs zijn tanden in een poot moeten zetten. Het vergt natuurlijk nogal wat van een hond als hij bij de ene diersoort dat hij hoedt pertinent nooit mag bijten, terwijl het bij de andere een noodzakelijk onderdeel vormt van het hoeden.

In ’t kort

De Belgische Herder is een stoere, intelligente hond. Hij bezit de intrinsieke eigenschappen van een hoedende hond; hij is trouw aan zijn baas, kan wat terughoudend zijn naar vreemden en beschermt zijn baas en diens bezittingen. Wanneer men hem goed socialiseert, is hij gemakkelijk op te voeden tot een prettige kameraad voor het hele gezin.
De Belgische Herder is een echte ‘contacthond’. Men doet hem geen recht als men hem hele dagen alleen achterlaat. Het liefst onderneemt hij van alles samen met zijn baas en hij zou wegkwijnen als men hem niet genoeg aandacht kan geven.
Hoewel de Belgische Herder een stoere hond is, is hij toch erg gevoelig voor harde woorden. Hij is gemakkelijk op te voeden met een zachte, doch consequente hand. Hij heeft erg veel ‘will to please’, dus het is over het algemeen voldoende dat men hem duidelijk maakt wat men van hem verlangt. Wanneer hij het begrijpt, zal hij u graag gehoorzamen.
De Belgische Herder is een prima gezinshond, mits men de omgang tussen kind en hond als volwassene strikt regisseert. Kinderen moeten leren dat een hond geen speelgoed is en men moet nooit toestaan dat de hond gepest wordt. In principe moet men honden en kinderen nooit alleen laten. Alleen u bent in staat om hond en kind te leren respectvol met elkaar om te gaan. Wanneer u hieraan in het begin veel aandacht besteedt, kunt u de basis leggen voor een vriendschap voor het leven en zullen ze veel plezier aan en met elkaar beleven.

De Tervuerense Herder

Herkomst

Alle langharige Belgische Herdershonden werden in de periode van 1892-1899 op tentoonstellingen onafhankelijk van hun kleur ondergebracht in één klasse. Toen de Club du Chien de Berger Belge in 1899 besloot om bij de langharige honden slechts de zwarte variant te erkennen, was dat een zware slag voor de liefhebbers van de anderskleurige langharige herders. In 1900 besloot deze groep liefhebbers zelf een club op te richten, de Berger Belge Club. Deze club hield een eigen stamboek bij. Op tentoonstellingen werden de langharige Belgische Herders in twee klassen getoond, de zwarte en de anderskleurige honden. De leeuwkleurige(fauve) honden vielen bijzonder op in deze categorie. De heer M.F. Corbeel, brouwer in het plaatsje Tervueren, bezat twee roodbruine, zwartgevlamde langharige herdershonden, Tom en Poes. Tom stond bekend om zijn kwaliteiten als uitstekende waakhond. Zijn woeste karakter was legendarisch. Naast zijn nachtelijke taak om de brouwerij van zijn baas te beschermen, moest hij overdag de kar trekken. Ook hierin blonk hij uit. Uit de combinatie Tom en Poes stamt de roodbruine teef Miss, die donkergevlamd was. Zij werd gepaard aan de zwarte Duc de Groenendael, die waarschijnlijk ergens vaalrode voorouders gehad moet hebben. Uit deze combinatie kwam de rosgevlamde Milsart. Milsart kan beschouwd worden als de stamvader van de Tervueren en hij is veelvuldig gebruikt om het juiste type te verkrijgen. Hij is teruggepaard aan zijn moeder en aan zijn dochters. Door deze inteelt kreeg men in korte tijd een homogeen type.

Kleur

Men vond het in deze periode erg belangrijk om de juiste kleur bij de Tervueren vast te leggen, maar vergat daarbij uit het oog dat ook de raskenmerken behouden dienden te worden. De fokbasis was verschrikkelijk klein en na de Eerste Wereldoorlog was hier vrijwel niets van over.
In 1920 kwam er hulp. In dat jaar besloot de Société Royale St. Hubert de in 1899 uitgeschakelde kleuren alsnog toe te staan. Ook was het weer mogelijk om onderling te kruisen tussen de verschillende variëteiten. Men hoopte op deze manier de fokbasis te verbreden. De fokkers van Tervuerense herders moesten in het Interbellum gebruik maken van Mechelaars om het bestand weer wat te vergroten. Omdat het kenmerk lang haar recessief is ten opzichte van kort haar, kan het (ook nu nog) gebeuren dat in een nest Mechelaars een langharige pup wordt geboren. Minox, zo’n langharige Mechelaar, dekte verscheidene Tervuerenteefjes, die mooie, rastypische honden voortbrachten. Ook na de Tweede Wereldoorlog moest men terugvallen op kruisingen met Groenendaelers en Mechelaars om het ras niet te laten uitsterven. Van belang hiervoor is onder andere de Franse reu Willy de la Garde Noir, een vaalrode hond die uit een nest Groenendaelers kwam.

Karakter

Wat karakter betreft is er eigenlijk geen verschil met de Groenendaeler. Deze twee typen kunnen gezien worden als dezelfde honden met een andere kleur. Ook de Tervueren is wat zachter dan de Mechelaar. Hij heeft veel beweging en afleiding nodig. Het maakt niet zoveel uit wat u met uw Tervueren wil doen. Belangrijker is dát u iets met hem onderneemt. Samen bezig zijn met de baas is het grootste plezier dat u uw Tervueren kunt doen.

Verzorging

De vachtverzorging van de Tervueren vraagt nogal wat aandacht. Hij dient regelmatig geborsteld te worden. Extra aandacht vragen de volgende plekjes: de broek, de liezen, oksels en het plekje net achter de oren. Hier komen de klitten het snelst.
Met name in de ruiperiode verliest de Tervueren veel haar en kunnen er hele bossen vanaf komen. Ideaal hiervoor is het zogenaamde ‘herdersharkje’, dat de loszittende onderwol uit de vacht haalt.
Het is belangrijk om uw Tervueren al vroeg te leren dat de vachtverzorging erbij hoort. Wanneer u uw hond als pup al heeft geleerd dat hij op commando blijft staan, gaat zitten en plat kan liggen, heeft u daar de rest van zijn leven profijt van. Voor de vacht is het de eerste periode wellicht nog niet zo belangrijk dat hij dagelijks wordt verzorgd, maar voor het leerproces is het wel belangrijk dat uw hond dit vroeg leert te ondergaan.

Print

Info

jUULPETER ENIK400INFO Kennel di Scottatura

Mijn kennel bestaat reeds vanaf 1972.

Gestart in Nederland, toen enige jaren in Belgie en nu weer sinds 2012 in Nederland gehuisvest.

Ik werk nauw samen met Peter en Julia Rietkerk die in Zoetermeer wonen.Hier groeien de nesten op en worden geweldig sociaal gemaakt.

De ouderdieren waarmee gefokt wordt moeten voldoen aan de hoogste eisen.

Zij zijn verschillende keren op de shows geweest. Hebben allen de hoogste kwalificaties behaald. Uitmuntend met CAC aantekening. ( Kampioensprijs).

De ouderdieren hebben een prima karakter zijn vriendelijk met  mensen , kinderen en andere dieren.

Ook hebben zij een karaktertest afgelegd.Zijn tevens door de rasvereniging aanbevolen als fokdier.

Titel SE of sr. of pE.

Onze pups worden in huiselijke kring opgevoed met heel veel liefde en aandacht.
Ze groeien op met kinderen, andere honden,  veel ruimte en worden goed gesocialiseerd.Zij worden gewend aan diverse geluiden en indrukken.
Dit om de pups gewend te laten raken aan allerlei geluiden die in het dagelijks leven voorkomen.

Als de pups oud genoeg zijn nemen wij ze mee in de auto, naar het bos.

Ze worden meerdere keren ontwormd, krijgen hun vaccinatie en hun groei en ontwikkeling wordt goed in de gaten gehouden door de dierenarts.


Ze krijgen een NHSB stamboom , een Europees gezondheidspaspoort en DNA profiel en worden gechipt. Wij werken ook met een koopcontract van de BHCN rasvereniging. www.belgischeherder.nl

Door nauwlettend het gedrag van de pups in de gaten te houden (en rekening houdend met de wensen van de pupkoper) kunnen wij heel goed adviseren welke pup in welk gezin past!

 

Willemine van Deijl. Peter en Julia Rietkerk

Wilt u kennis komen maken , maak dan een afspraak GSM 0620050022 of mail:This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

 

Print

Standaard B.H

Belgische Herder

F.C.I.-STANDAARD Nr. 15 - 22.06.2001 BELGISCHE HERDERSHOND

Nederlandse tekst: Dr.R.Pollet

Land van Herkomst: België
Publicatiedatum van geldige originele standaard :  13.03.2001
Gebruik:Oorspronkelijk een herdershond, nu een gebruiks- (waken, verdedigen, speuren, enz) en veelzijdig diensthond, evenals gezinshond.
Groepsindeling F.C.I.: Groep1: Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd Zwitserse
                                            veedrijvershonden
                                 Sectie 1: Herdershonden  Met werkproef

Korte Geschiedenis van het ras:

Op het einde van de jaren 80 waren er in België een groot aantal honden die de kudden dreven. Het type was heterogeen en de vachten uiterst verscheiden. Met het doel wat orde op zaken te stellen vormden enkele gedreven hondenliefhebbers een groep. Ze lieten zich adviseren door Professor A.Reul van de veeartsenijschool te Creghem, die mag worden beschouwd als de echte pionier en grondlegger van het ras.
Het ras is officieel ontstaan tussen 1891 en 1897. Op 29 september 1891 werd te Brussel de "Club du Chien de Berger Belge" opgericht en op 15 november van hetzelfde jaar organiseerde Prof. A.Reul een bijeenkomst in Cureghem van 117 honden, wat toeliet om het bestand te tellen en de beste exemplaren te selecteren. De daaropvolgende jaren werd begonnen met een echte fokselectie, door toepassen van extreem dichte inteelt op enkele dekreuen.
Op 3 april 1892 werd door de "Club du Chien de Berger Belge" reeds een eerste, erg gedetailleerde ras standaard opgesteld. Eén enkel ras was toegelaten, met drie haarvariëteiten. Nochtans, zoals men destijds zei, was de Belgische Herder maar een hond van `de kleine luiden`, een ras dus dat nog prestige miste. Dit had als gevolg dat slechts in 1901 de eerste Belgische Herders in het stamboek van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (L.O.S.H.) werden ingeschreven.
In de loop van de jaren die volgden namen de bestuurders van de herdershondenliefhebberij vastberaden de taak op zich om eenheid te brengen in het type en om de fouten te verbeteren. Men mag stellen dat reeds rond 1910 het type en het karakter van de Belgische herder vastlagen.
In de loop van de geschiedenis van het ras heeft het probleem van de verschillende variëteiten en de toegelaten kleuren aanleiding gegeven tot veel controversen. In tegenstelling hiermede zijn er echter nooit meningsverschillen geweest met betrekking tot de lichaamsbouw van de Belgische Herder, zijn karakter en zijn werkaanleg.

Algemeen Voorkomen: de Belgische Herder is een middellijnige hond, met harmonische verhoudingen, die elegantie paart aan kracht. Hij is middelgroot, droog en sterk bespierd, inschrijfbaar in een vierkant, rustiek, gewend aan het openluchtleven en gebouwd om te weerstaan aan de zo frequente weersveranderingen van het Belgische klimaat. Door de harmonie van zijn bouw en zijn fier gedragen hoofd moet de Belgische Herder de indruk geven van sierlijke kracht, hetgeen het erfdeel is geworden van de geselecteerde vertegenwoordigers van het werkhondenras. De Belgische Herder zal in stand in zijn natuurlijke houding gekeurd worden, zonder fysiek contact met de voorbrenger.

Belangrijke verhoudingen:de Belgische Herdershond is inschrijfbaar in een vierkant. De borstdiepte komt tot aan de ellebooghoogte. De snuitlengte is gelijk aan of iets meer dan de helft van de hoofdlengte.

Gedrag / Karakter:de Belgische Herder is een waakzame en actieve hond, bruisend van vitaliteit en altijd bereid om tot actie over te gaan. Aan zijn aangeboren geschiktheid als bewaker van de kudden paart hij de kostbare goede eigenschappen van de allerbeste waakhond voor huis en erf. Hij is, zonder de minste aarzeling, de hardnekkige en vurige verdediger van zijn meester. Hij verenigt in zich alle vereiste kwaliteiten om een herders-, waak-, verdedigings- en diensthond te zijn. Zijn levendig en alert temperament en zijn zelfverzekerd karakter, zonder ook maar enige vrees of agressiviteit, moeten blijken uit de houding van zijn lichaam en de fiere en opmerkzame uitdrukking van zijn fonkelende ogen. Tijdens het keuren zal men rekening houden met een `rustig` en `onverschrokken' karakter.

Hoofd:hoog gedragen, lang zonder overdrijving, rechtlijnig, goed gebeiteld en droog. De schedel en de snuit zijn ongeveer even lang, met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte, wat geheel de indruk geeft van een volmaakte afwerking.

Schedelgedeelte:middelmatig breed, in verhouding tot de lengte van het hoofd, het voorhoofd eerder afgeplat dan rond, de voorhoofdsgroef weinig afgetekend, van opzij gezien evenwijdig aan de denkbeeldige lijn die de neusrug verlengt, achterhoofdskam weinig ontwikkeld, wenkbrauw- en jukbeenbogen niet uitstekend.

Stop: matig

Snuitgedeelte:

Neus:zwart

Snuit:middelmatig lang en goed gebeiteld onder de ogen, geleidelijk naar de neus toe versmallend, in de vorm van een langwerpige wig, neusrug recht en evenwijdig aan de verlengde bovenlijn van het voorhoofd, goed gespleten bek, wat betekent dat bij geopende bek, met de kaken wijd uit elkaar, de mondhoeken sterk naar achteren zijn getrokken.

Lippen:dun, goed aangesloten en sterk gepigmenteerd.

Kaken/gebit:sterke en witte tanden, regelmatig en stevig ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. 'Schaargebit', het 'tanggebit', waaraan de voorkeur wordt gegeven door schaapherders en veedrijvers, wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de tandformule, het ontbreken van twee premolaren (2 P1) wordt geduld en de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.

Wangen:droog en goed valk, maar wel gespierd.

Ogen:middelmatig groot, noch uitpuilend, noch diepliggend, licht amandelvormig, schuin, bruinachtig, liefst donker, oogranden zwart, de blik is direct, levendig, intelligent en vragend.

Oren:eerder klein, hoog aangezet, duidelijk driehoekig uitzien, oorschelpen goed afgerond, de uiteinden puntig, strak, rechtopstaand en verticaal gedragen wanneer de hond aandachtig is.

Hals:
goed uitkomend, iets lang, tamelijk opgericht, goed gespierd, naar de schouders toe geleidelijk breder wordend en zonder keelwammen, de nek licht gewelfd.

Romp:
krachtig zonder plompheid, de lengte, vanaf het boegpunt tot aan het  zitbeenpunt, is ongeveer gelijk aan de schothoogte.

Bovenbelijning:de belijning van de rug en de lendenen verloopt recht.

Schoft:afgetekend.

Rug:vast, kort en goed gespierd.

Lenden:stevig, kort, voldoende breed, goed gespierd.

Kruis: goed gespierd, slechts zeer licht hellend, voldoende breed, maar zonder overdrijving.

Borst: weinig breed, maar goed diep, bovenzijde van ribben gewelfd, voorborst van voren gezien weinig breed, maar ook niet smal

Onderbelijning: begint onderaan de borst en stijgt licht in een harmonische curve naar de buik toe, die noch afhangend, noch windhondachtig mag zijn, maar licht opgetrokken en matig ontwikkeld.

Staart:goed ingeplant, met krachtige aanzet, middellang, minstens tot aan de sprong doch bij voorkeur verder reikend, in rust hangend gedragen, het uiteinde ter hoogte van de sprongen licht naar achteren gebogen, in actie meer opgeheven, doch niet hoger dan horizontaal gedragen, met de buiging naar de staartpunt toe meer uitgesproken, doch zonder ooit een haak of een afbuiging te vormen.

Ledematen:
Voorste Ledematen

Totaalbeeld:beendergestel stevig, maar niet zwaar, spierstelsel droog en sterk, de voorbenen zijn van alle zijden gezien loodrecht en van voren gezien volkomen parallel.

Schouders:het schouderblad is lang en schuin, goed aanliggend, met het opperarmbeen een voldoende hoek vormend, die in het ideale geval 100-115° bedraagt.

Opperarm:lang en voldoende schuin.

Elleboog:vast, noch afstaand, noch aangedrukt

Onderarm: lang en recht

Pols:zeer stevig en effen

Voormiddenvoeten:sterk en kort zoveel mogelijk loodrecht op de grond of slechts zeer weinig naar voren hellend

Voorvoeten:rond, kattenvoeten, tenen gebogen en goed gesloten, voetzolen dik en elastisch, nagels donker en dik.
 

Achterste ledematen:
Totaalbeeld:krachtig, maar niet zwaar; van opzij is de stand van de achterste ledematen loodrecht en gezien van achteren volkomen parallel

Dij:gemiddels lang, breed en sterk gespierd.

Knie:bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.

Onderschenkel:gemiddeld lang, breed en gespierd.

Sprong:laag bij de grond, breed en gespierd; matig gehoekt.

Achtermiddenvoeten: stevig en kort; wolfsklauwen niet gewenst.

Achtervoeten: mogen licht ovaal zijn; tenen gebogen en goed gesloten; voetzolen dik en elastisch; nagels donker en dik

Gangwerk:
de beweging is bij alle gangvormen levendig en vrij; de Belgische Herder is een goede galopeur, maar de gewone gangen zijn de stap en vooral de draf; de ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam (recht gaand). Bij hoge snelheid komen de voeten dichter bij het mediaanvlak; bij het draven is de tredwijdte gemiddeld, de beweging regelmatig en vlot, met een goede stuwing van de achterste ledematen, waarbij de bovenbelijning goed strak blijft en zonder dat de voorbenen te hoog worden opgeheven. De Belgische Herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar; zijn gang is snel, elastisch en levendig. Hij is in staat om in volle snelheid plots van richting te veranderen (is `wendbaar'); door zijn uitbundig temperament en zijn drang om te waken en te beschermen, heeft hij een uitgesproken neiging om in cirkels te bewegen.

Huid:
elastisch, maar over het hele lichaam goed en strak; randen van lippen en oogleden sterk gepigmenteerd.

Vacht en Variëteiten:
daar de beharing bij de Belgische herdershonden verschilt in lengte, aanblik en kleur, werd dit als criterium gekozen om een onderscheid te maken tussen de vier rasvariëteiten: de Groenendaeler, de Tervuerense herder, de Mechelaar of Mechelse herder en Laekense herder.
Deze vier variëteiten worden afzonderlijk gekeurd en iedere variëteit afzonderlijk kan een voorstel krijgen voor een C.A.C, een C.A.C.I.B. of reserves.

Vachtsoorten:bij alle variëteiten moet de beharing altijd dicht zijn, goed aanliggend, van 33n goede textuur en samen met de wollige ondervacht een uitstekende beschutting vormen.

LANGHAAR: het haar kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen, behalve aan de achterzijde van de onderarm, die van aan de elleboog tot aan de pols bedekt is met lange haren, die `franjes' worden genoemd. Het haar is lang en vlak aanliggend over de rest van het lichaam en langer en overvloedig rond de hals en op de voorborst, waar het een `halskraag' en een `borstveer' of  `bef' vormt. De opening van de gehoorgang is beschermd door dichte haren. Vanaf de ooraanzet zijn de haren opstaand en vormen een omlijsting van het hoofd. De achterzijde van de dijen is bekleed met zeer lang en overvloedig haar, dat de `broek' vormt. De staart is bedekt met lang en overvloedig haar dat een `veer' of  `pluim ' vormt.
De Groenendaeler en de Tervuerense zijn de langharigen.

KORTHAAR: het haar zeer kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen. Het is kort op de rest van het lichaam en voller aan de staart en rond de hals, waar het een halskraag vormt, die begint aan de ooraanzet en dooraanzet en doorloopt tot de keel. Bovendien is de achterzijde van de dijen met langere haren bevederd. De staart lijkt op een korenaar maar vormt geen staartveer.
De Mechelaar is de kortharige.

RUWHAAR: hetgeen de ruwharige vooral kenmerkt is de ruwheid en de droogheid van het haar, dat bovendien krassend is en warrelig. De haarlengte is ongeveer 6 cm en over het hele lichaam gelijk, maar wel korter op de neusrug, het voorhoofd en de ledematen. Noch de haren rond de ogen, noch de haren die de voorsnuit bedekken mogen zo uitgegroeid zijn dat ze de vorm van het hoofd verbergen. De snuitgarnituur nochtans is verplicht. De staart mag geen veer vormen.
De Laekense herder is de ruwharige.

Vachtkleuren: 
Masker:

bij de Tervuerense en de Mechelse herders moet het masker zeer goed geprononceerd zijn en de neiging hebben de boven- en de onderlippen, de mondhoeken en de oogleden te omvatten in één enkele zwarte zone. Voor het masker wordt een strikt minimum van acht zichtbare pigmentatiepunten bepaald: de beide oren, de beide bovenste oogleden en de beide boven- en onderlippen, die zwart moeten zijn.

Zwart-gevlamd (charbonné):
bij de Tervuerense en de Mechelse herders betekent zwart-gevlamd dat er haren zijn met zwarte uiteinden, waardoor de grondkleur wordt beschaduwd. Dit zwart is in ieder geval `gevlamd' en mag zich noch als grote platen, noch als echte strepen (stroming) vertonen. Bij de Laekense herder komt het zwart-gevlamd onopvallender tot uiting.

Groenendaeler:
uitsluitend eenkleurig zwart.

Tervuerense herder:
uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné) en zwart-gevlamd grijs (gris-charbonné), met zwart masker; de zwart-gevlamde vaalrosse kleur blijft nochtans de voorkeur hebben. Het vaalros (fauve) moet warm zijn, noch licht, noch uitgewassen. Een hond wiens vachtkleur anders is dan zwart-gevlamd vaalros of niet de gewenst intensiteit vertoont, kan niet beschouwd worden als een elitehond.

Mechelaar:
uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné), met zwart masker

Laekense herder:
uitsluitend vaalros (fauve), met sporen van zwart-gevlamd (charbonné), voornamelijk op de voorsnuit en de staart.

Alle variëteiten:
een weinig wit op de voorborst en de tenen wordt geduld.

Grootte, gewicht en maten:

Schofthoogte:
de gewenste hoogte is gemiddeld     

  • 62 cm voor de reuen,

  • 58 cm voor de teven.

Grenzen: naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.

Gewicht: 

  • reuen ongeveer 25 - 30 kg,

  • teven ongeveer 20 - 25 kg.

Lichaamsmaten: normale gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte heeft van 62 cm:

  • Lichaamslengte (vanaf het boogpunt tot aan het zitbeen): 62 cm.

  • Hoofdlengte: 25 cm.

  • Snuitlengte: 12,5 à 13 cm.

Fouten: 

Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.

Algemeen voorkomen: plomp, zonder elegantie; te licht of te tenger; langer dan hoog, inschrijfbaar in een rechthoek.

Hoofd:zwaar, te krachtig, zonder parallellisme, onvoldoende gebeiteld of droog; voorhoofd te rond; stop te uitgesproken of te vlak; snuit te kort of geknepen; ramsneus; wenkbrauw- of jukbeenbogen te uitstekend

Neusspiegel, lippen, oogleden: sporen van pigmentverlies.

Gebit: onregelmatige inplanting van snijtanden. Zware Fout: het ontbreken van één snijtand (1 I), één premolaar 2 (1 P2), één premolaar 3 (1 P3), of van drie premolaren 1 (3 P1).

Ogen: licht, rond

Oren: groot, lang, te brede aanzet, laag ingeplant, divergent of convergent.

Hals: tenger; kort of diepliggend.

Romp: te gestrekt; borstkas te breed (cilindrisch).

Schoft: vlak, laag 

Bovenbelijning: rug en/of lendenen lang, zwak, doorgezakt of gewelfd.

Kruis: te hellend, overbouwd

Onderbelijning: te diep of te ondiep; te veel buik.

Staart: te lage aanzet; te hoog gedragen, een haak vormend, afbuigend.

Ledematen: te licht of te zwaar van bot; slechte standen gezien van opzij (bv. te schuine voormiddenvoeten of zwakke polsen), van voren (bv. naar binnen of naar buiten gekeerde voetstand, uitgedraaide ellebogen, enz.) of van achteren (bv. achterbenen nauw, wijd of tonvormig, hakkeneng of hakkenwijd, enz.); te weinig of overdreven gehoekt.

Voeten: spreidtenen.

Gangwerk: nauwe beweging, te korte paslengte, te weinig stuwing, slechte rugoverbrenging, steppende gang (hoogdraven).

Vacht:
de vier variëteiten: onvoldoende ondervacht.
Groenendaeler en Tervuerense:haar wollig, gegolfd of gekruld; haar onvoldoende lang.
Mechelaar:halflang haar waar het kort zou moeten zijn; gladhaar; ruwe haren tussen het korte haar verspreid; gegolfd  haar.
Laekense:haar te lang, zijdeachtig, gegolfd, gekroesd of kort; vol met fijn haar, in plukken verspreid tussen het ruwe haar; te lang haar rond de ogen of aan de onderbek; dichtbehaarde staart.

  • Kleur:
    de vier variëteiten:brede, diepe, witte borstvlek ('plastron'); wit op de voeten, dat hoger reikt dan de tenen.  
    Groenendaeler:
    rosse schijn in de vacht; grijze broek.
    Tervuerense:grijze kleur.
    Tervuerense en Mechelaar:stroming; onvoldoende warme tinten; het zwart-gevlamd onvoldoende of overmatig aanwezig of in platen over het lichaam verdeeld; onvoldoende masker.
    Tervuerense, Mechelaar en Laekense:het vaalros te licht; een zeer verdunde grondkleur, 'uitgewassen' genoemd, wordt beschouwd als een zware fout.
     

  • Karakter: honden met te weinig zelfvertrouwen of die hypernerveus zijn..

Diskwalificerende Fouten: 

Karakter: agressieve of angstige honden.

Algemeen voorkomen: afwezigheid van rastype.

Gebit: bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact (omgekeerd schaargebit); kruisgebit; ontbreken van een hoektand (1 C), een scheurkies boven (1 P4) of onder (1 M1), een molaar  (1 M1 of 1 M2, uitgenomen M3), een premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of in totaal drie tanden  (uitgenomen de premolaren 1) of meer.

Neusspiegel, lippen, oogleden: sterk gedepigmenteerd.

Oren: hangend of kunstmatig rechtop gehouden.

Staart: afwezig of gekort, vanaf de geboorte of door couperen; te hoog en ringvormig gedragen of opgerold

Vacht: afwezigheid van onderwol.

Kleur: alle kleuren die niet overeenstemmen met de beschrijvingen van de variëteiten; te uitgebreide witte aftekeningen op de voorborst, zeker waarneer deze doorlopen tot aan de hals; wit op de voeten, dat hoger reikt dan halfweg de voor- of de achtermiddenvoeten en dat sokken vormt; witte vlekken elders dan op de voorborst en op de tenen; afwezigheid van masker, evenals een snuit die lichter gekleurd is dan het geheel van de vacht bij de Tervuerense herder of de  Mechelaar (omgekeerd masker).

Schofthoogte: buiten de opgelegde grenzen.

N.B.: De reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Kruisingen - intervariëteiten paringen:  paringen tussen verschillende variëteiten zijn verboden, behalve in zeer bijzondere gevallen, wanneer toestemming wordt verleend door de bevoegde nationale fokcommissies (tekst 1974, opgesteld te Parijs)


 

Print